Steden & cultuur
Historie, musea en gezellige steden
Ontdek de charme van Hanzesteden, bezoek indrukwekkende musea en kastelen of struin door sfeervolle binnensteden in de regio.
Hoenderloo is begin 19e eeuw ontstaan als een (clandestiene) ontginningsnederzetting in een 'leeg land' van heide en zandverstuivingen, ver van het gezag van de overheid woonden hier landlopers en randsociale mensen. Onderweg zou ds. Heldering hebben moeten schuilen voor een zandstorm in het grote zand tussen Beekbergen en Hoenderloo. Het was een paar uur reizen van de bewoonde wereld. Toen dominee O.G. Heldring in 1839 over de Veluwe rondtrok was hij geschokt. Hij trof hier een verpauperde bevolking waarover hij zich, samen met geestverwanten van de protestants-christelijke opwekkingsbeweging Het Réveil, in de jaren daarna daadwerkelijk bekommerde. Het waren ongeveer honderdvijftig mensen in plaggenhutten, zonder kerk, zonder onderwijs, ja zelfs zonder waterbron. Heldring begreep dat Hoenderloo, om mee te kunnen gaan in de vaart der volkeren, niet afhankelijk kon blijven van de opvang van regenwater in een ton. Hier, hoog op de Veluwe betekende dit dat er een put gegraven moest worden.
Een eerste poging, vlak bij Rust een Weinig mislukte. De tweede poging slaagde wel. Later zou er op andere plaatsen in Hoenderloo ook nog met succes naar water gezocht worden. Naast de put werd in 1846 de eerste openbare school van Hoenderloo opgetrokken. Het statige huis 'Heldrings Hoek', hier vlakbij de put was jarenlang de woning van de hoofdonderwijzer. De eerste kolonist vestigde zich er in 1804. Hoenderloo is een samenstelling van -lo(o) 'bos' en hoender 'hoenderachtige vogel'. De geschiedenis van de nederzetting Hoenderloo is in sterke mate verbonden met de omstandigheden van de ondergrond en het omringende landschap. Tijdens een ijstijd breidde het Scandinavische landijs zich uit tot Midden-Nederland. Aan de randen had de ijskap vooruitstekende lobben die bestaande laagtes indrongen, waarbij grond werd opgestuwd in de vorm van 'stuwwallen'. Zulke lobben schoven vooruit in het IJsseldal en de Gelderse Vallei. Daarbij vormde zich de hoogte van de Veluwe. Het gebied van Hoenderloo ligt onderaan de westelijke helling van de hoge stuwwal die zich uitstrekt ten westen van het IJsseldal tussen Hattem en Dieren. Het dorp ligt in een droge laagte tussen twee uitlopers van de stuwwal, ten noorden en zuiden. Doordat er in de directe omgeving geen beek of ven was, en het grondwater vrij diep zit, is Hoenderloo in het verleden geen voor de hand liggende plek voor permanente bewoning geweest. Niettemin is er wel degelijk bewoning geweest. Binnen het bestemmingsplangebied heeft een prehistorische grafheuvel gelegen en zijn urnen(velden) uit de late ijzertijd gevonden alsmede een grafveld en aardewerk uit de vroege middeleeuwen.
In het grote zand vond men bij het Speulderbolt sporen van bewoning en ijzerwinning en ten noorden van het grafveld werden scherven van aardewerk verzameld uit het begin van de jaartelling, naast Romeins aardewerk. Op de stuwwal groeide vanouds oerbos, waarin de mens hier en daar delen platbrandde om er landbouw te bedrijven. Vanaf de middeleeuwen moest het oerbos door intensiever gebruik (als wildpark, bron voor brandstof en bouwmateriaal, en weidegebied voor schaapskuddes) steeds verder wijken. Zo ontstond een 'leeg' land van heidevelden en zandverstuivingen. Daar begonnen diverse kapitaalkrachtige investeerders, voor een groot deel geworven door ds. Heldring, met de aanleg van landgoedbossen op de woeste gronden o.a. van het grote zand in de omgeving ten behoeve van de productie van hout en de creatie van recreatieve landgoederen. De bosbouw genereerde veel werk, met als gevolg dat Hoenderloo gestaag groeide. De kern van Hoenderloo bestond eerst uit een aantal plaggenhutten en gaandeweg meer huizen van hout en baksteen. In de loop der jaren breidde de nederzetting zich uit naar het oosten. Tussen de bossen van de landgoederen van de Christelijke Vrienden (later ten dele het terrein van de Stichting Hoenderloo) in het noorden en het Deelerwoud in het zuiden, bevond zich daar een onontgonnen heidegebied, dat stukje bij beetje werd verkaveld en ontgonnen tot akkerland. Dit gebied werd De Krim genoemd en redelijk aan het eind van de Krimweg ligt het park Veluwsehof. Op verzoek van Heldring nam dorpsonderwijzer Gangel vanaf 1847 regelmatig verwaarloosde kinderen op in zijn huis. Ze werden niet alleen opgevangen maar ook heropgevoed. Hieruit ontstond het idee van een zelfstandig opvanghuis, al snel doorgangshuis genoemd. Hiervoor werd in 1851 de Stichting Hoenderloo opgericht. Door de geïsoleerde ligging temidden van grootschalige ontginningsgebieden werd Hoenderloo gezien als een goede plek om ontspoorde jongens weer op het rechte pad te krijgen. Zij hadden baat bij een werkzaam verblijf in een natuurlijke omgeving met gezonde lucht, ver weg van de stad. Bovendien maakte de goedkope grond de exploitatie van een dergelijke instelling rendabel. De Stichting werd later omgedoopt tot de 'Hoenderloo Groep'.
Vanaf de late 19e eeuw ontwikkelde de Veluwe zich tot een recreatieve trekpleister. Net als Heldring voelen schrijvers en kunstenaars zich in de negentiende eeuw sterk aangetrokken tot de Veluwe. Om de natuur en het eenvoudige leven te ervaren en vast te leggen, maken ze voettochten door dit gebied. Mede door de verhalen van schrijvers zoals Heldring, de landschapschilderijen van kunstenaars en door de groeiende aandacht voor de heilzame werking van de natuur, komt de Veluwe steeds meer in trek bij gegoede burgers uit het westen. Eén van die burgers is havenbaron Anton Kröller en vanaf 1909 sticht hij ten westen van Hoenderloo het landgoed De Hoge Veluwe. Dankzij de aanleg van een nieuwe spoorlijn wordt de regio per trein vanuit het westen voor iedereen bereikbaar en het gebied raakt meer en meer in trek voor een uitje van enkele dagen. Vakantiegasten die Hoenderloo en omgeving bezoeken, verblijven in herbergen of in pensions, veelal bij dorpsbewoners thuis. Hoenderloo is vooral een populaire vakantiebestemming geworden dankzij de ligging temidden van uitgestrekte bossen en nabij het Nationale Park De Hoge Veluwe. Deze populariteit heeft geresulteerd in een groot aantal recreatieve voorzieningen in en om het dorp. De pensions van weleer hebben plaats gemaakt voor hotels, campings, huisjesparken en restaurants. Met name in de zomer verblijven er honderden toeristen in de diverse dag- en verblijfsaccommodaties. Naast de Hoenderloo Groep is het toerisme dan ook de belangrijkste economische pijler voor Hoenderloo.
Ottho Gerhard Heldring werd geboren op 17 mei 1804 te Zevenaar als derde zoon van ds. Ottho Gerhard Heldring (1762-1841). Ottho Gerhard Heldring ging op zijn zestiende in Utrecht theologie studeren. Hij kwam hier in een totaal andere wereld. Een moeilijke tijd vol twijfeling leidde tot een uiterst overspannen student. Hij moest anderhalf jaar rust nemen en ging naar zijn grootvader in Pfalzdorf. In deze landelijke omgeving van heideontginning herstelde hij. Heldring werd hierna op 25 maart 1827 door zijn vader als predikant in Hemmen benoemd. Al in zijn eerste ambtsjaar werd Heldring met armoede in de Betuwe geconfronteerd en vanaf dat moment geloofde hij dat werkgelegenheid de oplossing voor het armoedevraagstuk is.
In de jaren '30 en '40 begon Heldring zich dan ook te ontwikkelen tot een filantroop van nationaal formaat. Naast armoedebestrijding bond hij de strijd met de jenever aan.
Op een dagenlange wandeling over de Veluwe met zijn vriend Graadt Jonkers ontdekten zij in de zomer van 1839 het gehucht Hoenderloo. De bewoners hadden armoedige hutwoningen en kampten met watergebrek en een school of kerk was er niet. Toen ze Hoenderloo verlieten, wist Heldring dat hij wilde strijden voor deze heikolonie. In de Gelderse Almanak beschreef hij zijn belevenissen in Hoenderloo en de giften stroomden binnen. Bedragen tussen de 75 cent en 1020 gulden. En de put kwam er, zo ook een tijdelijk schoollokaal en daarna in 1845 een permanent gebouw. Samen met de meester van deze school richtte hij ook een doorgangshuis voor jongens op. Ook in de jaren hierna vergat hij Hoenderloo niet, want hij rustte niet voordat er een kerk was, in zijn ogen de geestelijke bron. In 1857 werd de eerste steen gelegd en een jaar later werd de kerk ingewijd.
De put kwam er schep voor schep (1844), zo ook de school steen voor steen (1846) en daarna de kerk, cent voor cent (1858).
Ondertussen had hij zich op het Réveil (https://nl.wikipedia.org/wiki/R%C3%A9veil) gericht. In mei 1845 uitte hij in een publicatie zijn grote zorg over de toestand van kerk en maatschappij en riep op om vanuit een bewogen geloof dit te verbeteren. Zijn oproep had succes en van 1845 tot 1854 hebben de Christelijke Vrienden een indrukwekkende reeks van maatschappelijke en kerkelijke activiteiten ondernomen. Heldring speelde hierin een centrale rol. Met hem brak een nieuwe periode aan voor het Réveil. Hij was de brug van het romantisch-innerlijk Réveil naar het maatschappelijk Réveil.
In 1845-1846 heeft Heldring zich sterk ingezet voor de bestrijding van de ernstige gevolgen van de aardappelziekte in de Betuwe. Tegelijkertijd ondernam Heldring ook nog andere initiatieven. Een van deze was de bevordering van het christendom in Nederlands-Indië door christelijke arbeiders erheen te sturen.
Aan de bestrijding van de armoede heeft Heldring ongeveer twintig jaar van zijn leven gewijd. In 1848 nam hij een nieuwe strijd op: de bestrijding van de prostitutie. Hiervoor richtte hij in Zetten het asiel Steenbeek op, bedoeld voor 'boetvaardige vrouwen', vrouwen die een nieuw leven wilden beginnen. Redding van de ziel stond voorop, maar resocialisatie was op zijn minst even belangrijk. In een tweejarig traject werden de meisjes opgeleid tot dienstbode, zodat ze op een gewone manier brood op de plank konden brengen. Na Steenbeek volgde in 1857 Talitha Kumi, bestemd voor verwaarloosde jonge meisjes van twaalf tot zestien jaar die dreigden in de prostitutie terecht te komen, terwijl in 1863 Bethel werd geopend, een tehuis voor meisjes van zestien tot twintig jaar, die gevaar liepen in de prostitutie te belanden. Ten slotte volgde in 1864 de stichting van een christelijke normaalschool, terwijl in 1870 de Vluchtheuvelkerk kon worden ingewijd. Deze kerk, gebouwd op een kunstmatige heuvel en voorzien van een zolder, was ook bedoeld als toevluchtsoord bij overstromingen die de Betuwe destijds regelmatig teisterden. Geestelijke en praktische zorg gingen ook hier weer hand in hand.
Het Nationale Park De Hoge Veluwe is de unieke nalatenschap van een van de meest markante echtparen uit de Nederlandse geschiedenis: Anton en Helene Kröller-Müller.
Anton zocht graag, wellicht als tegenwicht voor het jachtige en drukke zakenleven, rust in de natuur en dan met name op de Veluwe. Het was ook de liefde voor de natuur, evenals die voor paardrijden wat ze samen deden en de jacht, die hem deed besluiten een eigen landgoed te stichten: De Hoge Veluwe. Vanaf 1909 (het echtpaar woonde inmiddels, sinds 1900, in Den Haag) begon hij stapsgewijs stukken grond aan te schaffen, om die vervolgens aaneen te schakelen. In 1917 bezat hij liefst 6.800 hectare. De familie Kröller-Müller was daarmee de belangrijkste grootgrondbezitter op de Veluwe, op alleen de koninklijke familie na. Nadat het landgoed werd omrasterd liet Anton er, met het oog op de jacht, edelherten, wilde zwijnen en moeflons uitzetten. Er liepen zelfs ook enige tijd kangoeroes. Pampel is een gebied van ruim 644 hectare dat het hart van het Park vormt. Het werd op 2 mei 1913 aangekocht door Anton Kröller. In die tijd bestond het gebied uit huizen, schuren, een schaapskooi, een kwekerij, bossen, heide, bouw- en weiland, zandgrond, hakhout en erven. Tegenwoordig is de Pampel het centrumgebied van het Park met o.a. het Marchantplein, Museonder, het Parkrestaurant, het Kröller-Müller Museum met beeldentuin, de President Steynbank, de Franse Berg en het graf van Anton en Helene Kröller-Müller. De naam Pampel komt terug in de boerderij, die tegenwoordig een jachtopzienerswoning is. Tussen 1650 en 1725 werd de Pampel voortdurend bedreigd door het oprukkende stuifzand. Maar de duinen boden voldoende bescherming. Halverwege de negentiende eeuw, toen grote delen van het huidige Park bestonden uit zandverstuivingen, vormde de Pampel een 'groene oase' in deze woestijn.
De jonge Anton Kröller (1862–1941) leerde zijn toekomstige echtgenote Helene Müller (1869–1939) kennen tijdens een stage bij het Duitse Müller & Co., waarvoor ook zijn broer Willem werkte. Helene Müllers vader had vestigingen in Antwerpen, Luik, Ruhrort, Londen, New York en Rotterdam. In haar jeugd verhuisde ze vanuit Essen naar Düsseldorf en kwam daar in aanraking met het gedachtegoed van verlichte schrijvers en filosofen als Lessing, Goethe, Schiller en vooral Spinoza. Hierdoor geïnspireerd zal ze op latere leeftijd haar eigen levensmotto formuleren: Spiritus et Materia Unum "geest en materie zijn een". Helaas was ze in de oorlog fel antisemitisch. Anton werd aangenomen binnen het bedrijf van haar vader en zijn zakelijk instinct werd al snel op waarde geschat: hij werd binnen afzienbare tijd verantwoordelijk voor de Nederlandse tak van het bedrijf. Anton en Helene trouwden in 1888 en vestigden zich in Rotterdam. In 1889 stierf Helenes vader, Wilhelm Müller, waarna Anton, 27 jaar nog maar, de leiding kreeg over het gehele bedrijf. Niet zonder succes: Anton bouwde Müller & Co. uit tot een van de eerste multinationals wereldwijd. Met als voornaamste activiteiten scheepvaart (hij nam de Nederlandse Stoomboot Maatschappij over met lijndiensten vanuit Rotterdam en Amsterdam en daar kwam Müller op te staan). Met steenkool en ijzerertshandel vergaarde hij een fortuin.
Anton zocht graag, wellicht als tegenwicht voor het jachtige en drukke zakenleven, rust in de natuur en dan met name op de Veluwe. Het was ook de liefde voor de natuur, evenals die voor paardrijden wat ze samen deden en de jacht, die hem deed besluiten een eigen landgoed te stichten: De Hoge Veluwe. Vanaf 1909 (het echtpaar woonde inmiddels, sinds 1900, in Den Haag) begon hij stapsgewijs stukken grond aan te schaffen, om die vervolgens aaneen te schakelen. In 1917 bezat hij liefst 6.800 hectare. De familie Kröller-Müller was daarmee de belangrijkste grootgrondbezitter op de Veluwe, op alleen de koninklijke familie na. Nadat het landgoed werd omrasterd liet Anton er, met het oog op de jacht, edelherten, wilde zwijnen en moeflons uitzetten. Er liepen zelfs ook enige tijd kangoeroes. Pampel is een gebied van ruim 644 hectare dat het hart van het Park vormt. Het werd op 2 mei 1913 aangekocht door Anton Kröller. In die tijd bestond het gebied uit huizen, schuren, een schaapskooi, een kwekerij, bossen, heide, bouw- en weiland, zandgrond, hakhout en erven. Tegenwoordig is de Pampel het centrumgebied van het Park met o.a. het Marchantplein, Museonder, het Parkrestaurant, het Kröller-Müller Museum met beeldentuin, de President Steynbank, de Franse Berg en het graf van Anton en Helene Kröller-Müller. De naam Pampel komt terug in de boerderij, die tegenwoordig een jachtopzienerswoning is. Tussen 1650 en 1725 werd de Pampel voortdurend bedreigd door het oprukkende stuifzand. Maar de duinen boden voldoende bescherming. Halverwege de negentiende eeuw, toen grote delen van het huidige Park bestonden uit zandverstuivingen, vormde de Pampel een 'groene oase' in deze woestijn.
Helene Kröller-Müller wijdde zich vrijwel volledig aan haar grote liefde, de moderne kunst. Bijgestaan en continu geadviseerd door kunstpedagoog en -criticus H.P. (Hendrik Petrus, 1871–1956) Bremmer. Bremmer, in 1907 door de Kröllers voor een dag per week in dienst genomen, hielp Helene met het opbouwen van een indrukwekkende kunstcollectie. Vanaf 1905 volgt Helene samen met haar dochter kunstbeschouwingslessen bij Bremmer en later nodigt ze hem uit privéles te komen geven. Hij opent haar ogen voor de moderne kunst en een persoonlijke invoelende beleving van kunst. Haar eerste werk onder zijn invloed is "Hij komt van ver" van Paul Gabriel. Financiële grenzen aan wat er kon worden aangeschaft waren er nauwelijks; het geld dat Anton verdiende met Müller & Co. bood bijna ongelimiteerde mogelijkheden. In iets minder dan twintig jaar bracht Helene een kunstcollectie bij elkaar van ruim 800 schilderijen, ongeveer 275 beelden, circa 5000 tekeningen en bladen grafiek en bijna 500 stuks kunstnijverheid. Veel neo-impressionisten uit de periode 1886 en begin 20e eeuw zoals Jan Toorop, Theo van Rysselberghe, Paul Signac, Georges Seurat, Henry van de Velde en Anna Boch.
Onder de tekeningen en schilderijen zaten 94 werken van Vincent van Gogh, Claude Monet bijvoorbeeld De Schildersboot, Pablo Picasso, Piet Mondriaan bijvoorbeeld Compositie met rood, geel en blauw 1927, Camille Pissarro, Paul Cézanne en Rietveld kunst. Ook hangen er werken van Theo van Doesburg, Bart van der Leck. Met de 94 Vincent van Gogh's heeft het Kröller-Müller de mooiste Van Gogh-verzameling ter wereld.
In het begin verzamelde Helene vooral voor zichzelf, maar gaandeweg liet ze zich meer en meer leiden door een streven om een collectie samen te stellen die kon fungeren ter verheffing van de gemeenschap. Al in 1910 had ze Rome, Milaan en Florence en de grote meesters uit de Renaissance bewonderd en de architectuur. Zo ziet ze de grote Spinoza-waarheid en de behoefte groeit over haar rol in de wereld. In 1911 heeft ze een levensbedreigende operatie en besluit als ze de operatie overleeft, voor haar collectie een museumhuis te laten bouwen dat ze wil nalaten aan het Nederlandse volk. Ze schrijft "Nu moet het grote wonder eruit, ik bouw mijn nieuwe huis en het wordt een museum... Dat zou het over 100 jaar al zijn een interessant monument van kultuur... zoo natuurlijk & levend als het tot nog toe niet was vertoond". Eerst kopen de Kröllers hiervoor bij Wassenaar een landgoed wat ze Ellenwoude noemen. Helene gaat na haar levensbedreigende operatie en "inkeer" anders verzamelen, ze laat zich niet langer door smaak leiden maar verzamelt alleen nog kunstwerken die "de toets van de toekomst kunnen doorstaan". Er ontstaat een plan om de Duitse architect Behrens in te schakelen en die laat het ontwerp aan Ludwig Mies over waar Helene goed mee overweg kan. Maar Helene kan niet met Behrens overweg en Mies wordt door Behrens ontslagen. Het echtpaar reist naar Berlijn maar Behrens weigert Mies' ontslag in te trekken. Dan ontslaan de Kröllers Behrens en komt Mies in dienst van hun firma Müller&Co en maakt een ontwerp. Maar haar adviseur Bremmer dringt er bij Helene op aan om ook Berlage dezelfde opdracht te geven. Helene wil dat Berlage samen met Mies gaat ontwerpen maar Berlage weigert dit waarna een competitie begint. Helene gaf duidelijk de voorkeur aan de maquette van Mies maar Bremmer kiest voor Berlage omdat "dat kunst is" en uiteindelijk kiest Helene dan voor Berlage. Maar... in 1915 besluit Helene dat ze haar museumhuis toch liever op de Veluwe wil bouwen en verkoopt het landgoed Ellenwoude bij Wassenaar. Berlage begon in 1918 met het ontwerp met een gigantisch gebouw met woon- en tentoonstellingsruimtes. Een centrale hal van 12 meter hoog met kristalvormig plafond van gekleurd glas en een zitkamer voor mijnheer en een voor mevrouw. Een eetkamer allemaal door een enkele deur verbonden met de grote hal van de Van Gogh-zaal. Maar na constante bemoeienis bij zijn ontwerp van Helene en ruzie met Berlage beëindigde Berlage zijn contract bij de firma. Toen moest Henry van de Velde een nieuw ontwerp maken. Helene schreef over Berlage aan haar zoon Bob: "Voor mij was hij altijd een kleine man, de chagrijnige mensch, het leelijk onaangenaam karakter, maar – de groote kunstenaar!". Beide plannen zowel van Berlage als van de Belgische architect Henry van de Velde waren op papier meesterwerken maar door financiële problemen bij de firma zijn ze nooit gerealiseerd aan de voet van de Franse Berg. In 1921 werd eraan begonnen en zelfs een spoorlijn aangelegd vanaf Wolfheze om op maat gezaagde blokken Maulbronner zandsteen vanuit Duitsland naar de Veluwe te vervoeren. Door de 1e Wereldoorlog zakte de vraag naar ijzer en kolen in en Antons bedrijf bouwt in korte tijd veel schulden op en komt daardoor ernstig in de problemen. Daarom zet Anton noodgedwongen de bouw van het museum in 1922 stop en laat Bremmer weten dat er geen kunstwerken meer kunnen worden gekocht. Helene schrijft dan "Als ik tegenwoordig lang de plek loop heb ik het gevoel als bij een open graf dat op een doode wacht. Ik kan soms nog niet geloven, dat het er niet zal komen. Ik wacht altijd nog op als op een wonder". Toch liet Helene haar droom van het grote museum niet varen. Tot haar dood, in 1939, bleef ze zich bezighouden met het uitwerken van de details en het verder gereedmaken van de bouwplannen. In april 1935 zagen de Kröllers op de rand van een faillissement zich genoodzaakt hun Veluwse bezittingen snel onder te brengen in een nieuw opgerichte stichting om de kunst te redden van openbare verkoop: Stichting Kröller-Müller.
De collectie en de bouwtekeningen van het door Henry van de Velde ontworpen Grote Museum zal door het Rijk moeten worden aangekocht. Minister Marchant van Onderwijs, Kunst en Wetenschap wordt door Helene bevlogen rondgeleid en verteld over haar plannen. Hij haalt de ministerraad over om in 1935 een lening van 8 ton voor de aankoop ter beschikking te stellen. En zo schenkt de Kröller-Müller Stichting haar collectie aan de Nederlandse Staat onder de toezegging de verzameling te zullen onderbrengen in een nieuw te bouwen museum. Dat museum, door Helene 'provisorisch museum' genoemd, kwam er. Het door Van de Velde ontworpen museum werd geopend in 1938, uiteraard door Helene zelf. Het staat er nog steeds: het huidige Kröller-Müller Museum. Op 26 april 1935 op dezelfde dag dat de Kröller-Müller Stichting haar collectie schenkt aan de Nederlandse Staat wordt de Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe opgericht met als doel het verwerven, beheren en in stand houden van een Nederlands nationaal park en cultureel centrum op de Hoge Veluwe. De hypothecaire lening van 8 ton is om het landgoed eigendom van de Stichting te maken, ook jachthuis St. Hubertus wordt met de grondaankoop verkocht maar Helene en Anton mogen er tot hun dood blijven wonen. Maar de staat stelt slechts 10.000 per jaar beschikbaar, onvoldoende voor het geplande museum. In 1937 gaat de Nederlandse Staat akkoord met de bouw van een veel kleiner museum ook van Henry van de Velde. De bouw wordt bekostigd uit een grote schenking van een zakenrelatie en werkers uit de werkverschaffing bouwen het onder belofte dat het gebouw eigendom van de Staat wordt en de toezegging dat de schilderijenverzameling door Kröller wordt geschonken. In 1938 wordt het museum geopend. Helene is er wel bij maar dan al te zwak om de openingsrede uit te spreken, dat doet Anton. Ook Bremmer is er niet meer bij vanwege gezondheidsredenen.
Helene kan maar kort genieten van haar museum, eind 1939 overlijdt ze. Ze wordt opgebaard tussen haar geliefde Van Gogh's, direct voor de Vier Uitgebloeide Zonnebloemen. Op een zwart geschilderde boerenwagen wordt ze begraven vlak bij de fundamenten van "Het Grote Museum". Op haar steen pas na de oorlog geplaatst is te lezen: "Ik geloof aan het volmaakte van al het gebeuren". In de oorlog is de kunstverzameling ondergebracht in bomvrije bergplaatsen en in de kelder van het Jachthuis St. Hubertus. Met hulp van de Canadese luitenant-kolonel Levenston die groot kunstliefhebber is wordt de collectie na 5 jaar teruggehaald uit de schuilkelder.
Het eerste werk van Van Gogh Bosrand uit 1883 kocht Helene in 1908 voor 110 gulden! Het tweede werk uit 1908 aangeschaft was Vier Uitgebloeide Zonnebloemen uit 1887 een hoogtepunt uit zijn Parijse periode. In 1909: De Zaaier (naar Millet) uit 1890 en Mand met citroenen en fles. In 1912 koopt ze Brug te Arles van de collectie Hoogendijk en betaalt meer dan het vijfvoudige van het bedrag waarop was ingezet wat veel stof deed opwaaien. Vincent van Gogh was zoon van een dominee en het geloof speelde een belangrijke rol in zijn opvoeding. Na eerst kunsthandelaar, onderwijzer, theologiestudent en predikant te zijn geweest besloot Vincent in 1880 op 27-jarige leeftijd kunstenaar te worden. Hij was ervan overtuigd ook als kunstenaar dienstbaar te kunnen zijn aan God. Hij toont arme boerenbevolking en wevers en landschappen, vooral koppen uit het volk, die moeten zwoegen voor hun brood. Bijvoorbeeld De Aardappeleters een meesterwerk uit zijn Nederlandse periode. Zijn grote voorbeeld was Millet. Vincent was autodidact en leert zichzelf tekenen en schilderen. In 1881 zoekt hij zijn neef Anton Mauve op die hem schilderlessen geeft en hem stillevens leert schilderen. In 1885 gaat hij van Nunenen bij zijn vader en daana voor 3 maanden naar de kunstacademie in Antwerpen om figuurtekenen te leren. Al na 3 maanden vertrekt hij omdat de kunstacademie Antwerpen veel te schools is en gaat hij naar Parijs en woont bij zijn broer Theo.
Hier schildert hij zo’n 25 zelfportretten waarschijnlijk omdat hij geen model kon betalen in deze periode. Helene koopt een zelfportret in 1919 voor 6500 gulden, het enige zelfportret in de collectie van het museum. In het begin werkt Vincent voornamelijk met pen, houtskool en Oost Indische inkt. Later met olieverf eerst vooral donker kleuren, in latere werken lichter en kleurrijker. In 1887 verlaat Vincent het drukke Parijs. Hij gaat naar Zuid Frankrijk waar zijn ongekende heldere kleurgebruik en de sprankelende kleuren hem inspireren en hij lossere penseelstreken gaat gebruiken. De Japanse prentkunst die hij samen met zijn broer verzamelde krijgt hier invloed in zijn werk. In Arles schildert hij de ophaalbrug over een kanaal bij de stad met een passerende huifkar met het helder blauwe water. Hij gebruikte hier techniek die hij uit de Japanse prenten had. Een half jaar na zijn aankomst in Arles schildert hij Cafeterras bij nacht bij het licht van een gaslantaarn, hier schildert hij zijn eerste sterrenhemel constellatie precies zo als op 16 of 17 september te zien was.
Dit schilderij is in 2025 een jaar naar de grote van Gogh tentoonstelling in Japan. Vincent leed aan psychoses en hallucinaties en was manisch depressief waarvoor hij een jaar in een psychiatrische kliniek te Saint Remy verbleef. Hier gebruikte hij kleur vanuit zijn behoefte aan vrolijkheid en geluk, hoop en liefde. Hij schreef: “Hoe lelijker, ouder, slechter, zieker, armer ik word, hoe meer ik mij wil wreken met krachtige, goed gerangschikte kleuren”. Hij schilderde er de tuin van de inrichting in Saint Remy.
De vlaggendrager van de Nederlandse architectuur van die tijd, H.P.Berlage, op dat moment al in dienst bij de Kröllers, kreeg waarschijnlijk begin 1915 de opdracht Jachthuis Sint Hubertus te ontwerpen. Een buitenverblijf voor het echtpaar in het Park en de gedroomde uitvalsbasis voor Antons jachtpartijen. Berlage ontwierp niet alleen het gebouw zelf, maar ook het complete interieur, tot het bestek aan toe. Hetzelfde gold voor de parkachtige omgeving met de vijverpartij. Het maakt dat het Jachthuis een zogenaamd Gesamtkunstwerk is, het enige van Berlages hand. De bouw van Jachthuis Sint Hubertus werd voltooid in 1920. Je kunt het Jachthuis met rondleiding bezichtigen, de moeite waard. Alle bouwmaterialen zijn met een apart aangelegd minispoortje vervoert rond 1915.
Naast het museum Kroller Muller is er naast het museum een beeldentuin met beroemde beeldhouwers o.a. uit de jaren 60. Je vind er werken van Aristide Maillol tot Jean Dubuffet, Marta Pan tot Perre Huyghe, Rodin. Twee paviljoens van Aldo van Eyck en Gerrit Rietveld.
Wil je weten wat er allemaal te doen is in de omgeving? Klik op onderstaande button of kijk hieronder.


